past perfect

 

 

Je ligt al op mijn lippen.
Je waait al in de wind.
Ik voel je ook klaar zitten
als opgewonden kind.

Mijn hart staat heerlijk open,
mijn lijf voelt, eerlijk waar,
dat ik méér mag dan hopen,
jij bent er, jij bent daar.

Jij zal nu gauw gebeuren,
weet ik met zekerheid.
Straks sta jij voor mijn deur en
dan maken wij de tijd

als liefde: onvoorwaardelijk,
geen futur proche of wens,
maar vertegenwoordigd
in het nu: present intense!

 

 

grammarly:

 

The past perfect is a verb tense used to talk about something that happened before something else. The formula for the past perfect tense is had + [past participle]. It doesn’t matter if the subject is singular or plural; the formula doesn’t change.

 

don-eer:

 

Heb ik je geraakt?
Je dag beter gemaakt?

Zin om iets terug te geven?
Een koffie of je leven!

 

fotografie