waagstuk (poging 3)

 

Wijdbeens en uitdagend sta ik in haar lijf met het mijne,
mij af te vragen of ik er vandaag in zou verdwijnen,
maar de zee proest het uit, hoest mij op en dwingt mij
alles als wat ik zogezegd moest, een inktvis los te laten,

behalve leven.

Even staak ik elk woest gevecht stroomopwaarts, laat mijn
tentakels dansen op de zee, duik dan weer diep in haar onderbuik,
maar ze neemt mij nog niet mee. Ik tol, zij rolt me op over haar
baren en spuugt me uit op de kiezels van haar kust. Zij kiest,

ik berust.

M’n haren vol geklit met zand, m’n lippen zout, m’n lijf
opengeschaafd, lig ik aan land, als drijfhout aangespoeld,
weer meer te minnen dan bedoeld, hap naar lucht, hier
op het droge, lik de zoete tranen uit m’n ogen en zucht

van overvloed.

De zee ebt weg en ik blijf achter, drijvend als een slier,
zeewier buiten zinnen, maar vanbinnen voel ik mij als de Godin
Aphrodite, die oprees uit de zee, het schuim als kwijl nog rond
mijn mond, terwijl de zon de rest van mij wegbrandt. Ik ijl,

ik strand.

Straks blijft er lekker niets meer van mij over, ben ik voor-
goed opgelost, geen raadsel meer, geen vragen of daden
te stellen, zal de zee de lagen van me af pellen, tot de wellust
die ik ben, slib of her pen, week dier, meisje van plezier, ja,

ik beken.

Want de zee beukt in op elke leugen, legt alle schijn bloot,
ook mijn verheugen op de dood zoog zij in stilte mee naar
haar zilte diepte, maar mijn lijf nog niet, o nee, dat kiepte
zij opnieuw om in verlangen, bang ontzag en ook keihard

de slappe lach!

Nu lig ik hier, hoog boven de zee uitgespiegeld en ik hou
het niet meer droog, giechel als haar kronkelende waterding,
zing mijn eigen lied als een sirene en geniet als een Venus
in haar branding, kruip uit mijn schelp en vind mezelf

een parel.

zeemeermin

fotografie

 

Rudolf Demeulenaere